Met behulp van Europese subsidies investeren provincies en lokale overheden in projecten die moeten bijdragen aan een betere kennispositie van en meer innovatie en valorisatie binnen het mkb. Onderzoek van de Rijksuniversiteit Groningen (RUG) toont aan dat hierbij streng maar effectief geselecteerd wordt en dat de meeste projecten de verwachte doelstellingen realiseren. Het onderzoek is uitgevoerd onder honderden projecten die subsidie ontvangen uit een van de vier Nederlandse regionale innovatieprogramma’s.

Voor de realisatie van de EFRO-programma’s ontvangen provincies en lokale overheden voor de periode 2014-2020 een half miljard euro uit het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO). Daarnaast investeren provincies en lokale overheden, het Rijk en de private sector in de projecten. De EFRO-programma’s stimuleren innovatie door het mkb.

Onderzoekers aan de RUG hebben tussentijds de selectie en uitvoering van de innovatieprojecten binnen het EFRO-programma geëvalueerd. Voor deze evaluatie is data gebruikt van honderden toegewezen en afgewezen projecten. De aanbevelingen worden meegenomen bij de invulling van toekomstige regionale innovatieprogramma’s.

Economiegedeputeerde van de provincie Noord-Brabant, Bert Pauli, namens de vier innovatieprogramma’s: Het onderzoek van de Rijksuniversiteit Groningen helpt de verantwoordelijke overheden de effectiviteit van de Europese innovatieprogramma’s verder te optimaliseren. We willen zo min mogelijk administratieve lasten voor ondernemers en zo veel mogelijk economische impact van de projecten. Europese subsidies zijn, en blijven zo, een belangrijk middel voor het versterken van de regionale en nationale economie.

Samenwerken aan innovatie
De EFRO-programma’s selecteren projecten die in potentie bijdragen aan een innovatiever mkb. In de meeste projecten werken mkb’ers en/of kennisinstellingen samen aan kennisdeling en innovatie. Financiering voor projecten die de krachten tussen het bedrijfsleven en kennisinstellingen bundelen, maakt de programma’s uniek in het financieringslandschap. Het onderzoek toont aan dat projecten niet zouden zijn uitgevoerd zonder deze ondersteuning. Een ruime meerderheid van de respondenten verwacht dat zelfstandig financieren of alternatieve financiering vinden, moeilijk zou zijn.

Ambitieuze doelstellingen
De resultaten van het onderzoek tonen ook aan dat de meerderheid van de gefinancierde projecten de vooropgestelde doelstellingen succesvol realiseert. De onderzoekers pleiten echter voor ambitieuzere projectdoelstellingen. Professor Dries Faems, coördinator van het onderzoek: “De grote meerderheid van de huidige projecten mikt op het creëren van een gezonde bedrijfsactiviteit die vooral regionaal effect zal hebben. Maar het zijn juist de projecten die als doelstelling hebben om op internationaal niveau toonaangevend te worden, die op lange termijn echt een verschil kunnen maken voor de structurele ontwikkeling van regio’s.”

Strenge projectselectie
Bij de invoering van de regionale EFRO-programma’s is nadrukkelijk gekozen om te werken met deskundigencommissies waarin onafhankelijke experts projectaanvragen beoordelen. De kwaliteit van de aanvragen blijkt over de jaren heen sterk gestegen. Hierin heeft de deskundigencommissie een belangrijke rol gespeeld volgens de onderzoekers. “Het rapport benadrukt het belang van de deskundigencommissie als strenge poortwachter die de selectie van kwalitatief hoogstaande projecten garandeert. Wij pleiten daarom voor het handhaven van een streng selectiebeleid waarbij de onafhankelijkheid van de deskundigencommissies centraal staat. Dit is zeker niet vanzelfsprekend en verdient voortdurend aandacht,” aldus professor Faems.

Vermindering administratieve last
Respondenten geven aan dat de administratieve druk die de uitvoering van een EFRO-project met zich meebrengt, het realiseren van resultaten kan bemoeilijken of vertragen. De onderzoekers van de RUG adviseren de programmabeheerders en controlerende instanties te werken aan een cultuuromslag. Zij zien ruimte om met de goed werkende strenge selectie aan de poort een zo eenvoudig mogelijke projectcontrolestructuur op te bouwen. Het zwaartepunt van de controles zou volgens hen in de projectselectiefase moeten liggen, waarna in het verdere proces de administratieve lasten tot het minimaal noodzakelijke worden teruggebracht. Deze aanbeveling wordt door de provincies meegenomen in een separate evaluatie naar controledruk en programma-uitvoering.

Extra (achtergrond-)informatie: