De meeste Brabantse bossen op dekzand zijn aangeplant als dennenplantages waarin de biodiversiteit beperkt lijkt tot de plant- en diersoorten van de heiden en stuifzanden waarop de bossen ooit aangelegd werden. De algemeen geldende mening was tot voor kort dat deze bossen zuur en soortenarm zijn en dat ze ook zuur en soortenarm zullen blijven. Sinds eind vorige eeuw hebben deze bossen door veranderende beheerinzichten een lichte verandering ondergaan. De productie speelt nog een belangrijke factor maar natuurlijke ontwikkelingen kregen meer ruimte. Voortschrijdend inzicht leert dat dit een eerste stap was naar verdere bosontwikkeling. De potenties van deze bossen zijn veel groter dan tot nu toe werd aangenomen.
Om duurzaam herstel en de potentie mogelijk te maken moeten er maatregelen worden genomen. Dit is een kostbare operatie. Er is dan ook een maatregelenpakket ontwikkeld dat herstel en ontwikkeling versneld door in te grijpen op essentiële voorwaarden. De ambitie is om in 3 jaar en 9 maanden ca. 48 ha bos te revitaliseren en een biodiversiteitsimpuls te geven zoals opgenomen in deze aanvraag. De maatregelen worden gekoppeld aan de reguliere beheermaatregelen.
Herstel nutriëntenpomp
Voor het herstel van de buffering van deze bossen is een geheel aan maatregelen nodig die ervoor zorgt dat de nutriëntenvoorziening in balans gebracht wordt, op een voldoende hoog niveau komt en op dit niveau in stand gehouden wordt; de nutriëntenpomp. De belangrijkste en makkelijk uit te voeren maatregel is het geleidelijk vervangen van de huidige verzurende boomsoorten door boomsoorten met rijk strooisel. Zij vormen de basis, de nutriëntenpomp zelf. Deze nutriëntenpomp pompt in eerste instantie de aanwezige nutriënten rond en zorgt er vooral voor dat de nutriënten aanwezig in diepere lagen beschikbaar komen. Als aanvullende maatregel wordt de aanplant van rijk-strooiselsoorten uitgevoerd met een eenmalige gift van mineralen (steenmeel) om de buffering van de bodem te herstellen. Als eenmaal de nutriëntenpomp weer functioneert kan een belangrijk aandeel van de stikstof in het ecosysteem geïntegreerd worden door immobilisatie in (bodem)-fauna, in stabiele humus en in stikstofminnende bomen. Door de vorming van stabiele humus zal het vochthoudend vermogen van de bodem ook toenemen. Deze maatregelen staan uitgewerkt onder 2.2 Projectactiviteiten.
Structuurontwikkeling
Als start van het creëren van meer structuur in het bos wordt er een netwerk vastgelegd van Oude, Aftakelende en Dode bomen. Dit is het zogenaamde OAD-netwerk. Het vastleggen van dit netwerk voorkomt dat na de bosomvorming de oudste en voor de biodiversiteit meest belangrijke delen verloren zijn gegaan. Het netwerk bestaat uit een combinatie van bosreservaten, habitatgroepen, habitatbomen en dood hout. Na het aanwijzen van het OAD-netwerk kan er gewerkt worden aan het vergroten van de horizontale structuur van het bos door de aanleg van gaten van verschillende omvang. Door het steeds weer opnieuw maken van deze gaten, totdat de oudste delen van het bos beginnen af te takelen en er dus op een natuurlijke wijze gaten vallen, is noodzakelijk om te voorkomen dat er een homogeen gesloten kronendak ontstaat. Waar mogelijk worden bosranden aangelegd om de overgang tussen gesloten bos en naast gelegen open ruimte geleidelijker te maken zodat er ruimte komt voor mantel-zoomvegetaties. Het sluitstuk van structuurherstel is variabel dunnen. Door sterk dunnen af te wisselen met matig dunnen ontstaat er afwisseling waardoor er meer kansen ontstaan voor de ontwikkeling van een struik- en kruidlaag.
Herstel van de soortenpool begint met aanplant van de ontbrekende boom- en struiksoorten. Deze vormen dan, door hun dominante aanwezigheid, de basis voor de andere organismen. Voor het herstel van de biodiversiteit is niet alleen belangrijk dat het volledige pakket aan boom- en struiksoorten aangeplant wordt. Ook de getalsmatige verhouding tussen de soorten vraagt aandacht. De nutriëntenpomp vraagt om het bevoordelen van bijvoorbeeld linde boven beuk. Bovendien moet bij de soortenkeuze rekening gehouden worden met het veranderende klimaat. Verwacht worden een hogere gemiddelde temperatuur met meer extremen, waarvan droogteperioden in het groeiseizoen voor de bossen het meest bedreigend zijn. Voor het optimaal functioneren van bomen en struiken in het bos is voornamelijk de diversiteit aan bodemorganismen belangrijk. Als eenmaal het geheel aan boom- en struiksoorten en de bosbodem weer functioneert, ontstaan er weer mogelijkheden voor oude bossoorten. In houtwallen, eikenstrubben, hakhoutsingels, kleine geriefhoutbosjes en oude bossen die eeuwenlang als refugia voor bossoorten functioneerden bevinden zich de bronpopulaties voor de herintroductie van bossoorten. Door het nu al inbrengen van deze soorten op geschikte locaties ontstaan er populaties binnen de terreinen vanwaar de soorten zich kunnen uitbreiden.
Hydrologie
In de bossen van de diverse landgoedeigenaren worden, voor start van het nemen van hydrologische maatregelen, haalbaarheidsstudies uitgevoerd (LESA, Landschaps Ecologische Systeem Analyses) die bedoeld zijn om meer inzicht te krijgen in het ontstaan en huidig functioneren van de gebieden en beheertypen in historisch, fysisch, geografisch, hydrologisch en ecologisch opzicht. Een LESA is relevant bij alle voorgenomen maatregelen waarbij mogelijk invloeden vanuit het omringende landschap bepalend kunnen zijn voor het succes van het herstel. Dat is hier het geval, vanwege de aanwezigheid van landbouwactiviteiten die in de directe omgeving worden uitgevoerd. Vooralsnog is voor dit project bij een aantal landgoedeigenaren een inschatting gemaakt van de te nemen maatregelen (verondiepen sloten en aanleg dam). Mochten er uit de LESA’s extra maatregelen nodig zijn, anders dan verondiepen sloten en/of aanleg van dammen, wordt dit in een volgende projectperiode nader opgepakt.
Met de maatregelen zoals hierboven beschreven draagt dit project bij aan een duurzame ontwikkeling en efficiënt beheer van natuurlijke hulpbronnen op het gebied van water, bodem en lucht.
